Kwart van de discriminatiezaken gaat over antisemitisme; JA21 stelt vragen.
Antisemitisme vormt een kwart van de discriminatiegevallen.
Antisemitisme vormt een kwart van de discriminatiegevallen, terwijl Joden minder dan 0,3% van de bevolking zijn. Onacceptabel. JA21 heeft de volgende schriftelijke vragen gesteld over de over de veiligheid van Joodse Amsterdammers, het falende beleid en de voedingsbodem voor deze ontwikkeling.
Uit recente cijfers van het Openbaar Ministerie en de politie blijkt dat antisemitisme een onevenredig groot aandeel heeft in het totale aantal discriminatie-incidenten in Nederland. Hoewel Joden minder dan 0,3% van de bevolking vormen, is circa een kwart van de geregistreerde discriminatiegevallen antisemitisch van aard. Volgens de Nationale Coördinator Antisemitismebestrijding dreigt dergelijke ‘haat het nieuwe normaal te worden’. Tegelijkertijd nemen bedreigingen toe en vinden incidenten steeds vaker plaats in de directe leefomgeving van Joodse inwoners, waaronder op straat en bij Joodse instellingen. ,,Joods leven kan in Nederland op dit moment bijna alleen maar doorgang vinden dankzij de Koninklijke Marechaussee, de politie en dankzij camera’s en kogelwerend glas’’, aldus Eddo Verdoner, Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB).
Er hebben zich recent ernstige incidenten voorgedaan, waaronder aanslagen op Joodse objecten, die nog niet eens volledig in de cijfers zijn verwerkt. Deze ontwikkelingen roepen grote zorgen op over de veiligheid van Joodse Amsterdammers en de effectiviteit van het gemeentelijk beleid. Niet in de laatste plaats omdat Amsterdam het epicentrum vormt van het Joodse leven in Amsterdam.
Gezien het vorenstaande stelt ondergetekende, namens de fractie van JA21 en het CDA, op grond van artikel 84 van het Reglement van orde gemeenteraad en raadscommissies Amsterdam, de volgende schriftelijke vragen:
1. Is het college bekend met de recente cijfers van het Openbaar Ministerie en de politie waaruit blijkt dat antisemitisme landelijk een kwart van de discriminatiegevallen betreft?
2. Is het college het met JA21 eens dat deze cijfers naar alle waarschijnlijkheid voor Amsterdam nog aanzienlijk hoger zullen liggen?
3. Kan het college specifiek inzicht geven in de ontwikkeling van antisemitische incidenten in Amsterdam over de afgelopen drie jaar?
4. Hoe verhouden de cijfers in Amsterdam zich tot het landelijke beeld?
5. Deelt het college de zorg dat antisemitisme in toenemende mate plaatsvindt in de directe leefomgeving van Joodse inwoners, zoals op straat en bij instellingen?
6. Welke concrete maatregelen neemt de gemeente om Joodse instellingen, scholen, synagogen en begraafplaatsen in Amsterdam te beschermen?
7. In hoeverre is de veiligheid van Joodse Amsterdammers momenteel afhankelijk van extra beveiligingsmaatregelen zoals politie-inzet, cameratoezicht en fysieke beveiliging?
8. Acht het college deze situatie wenselijk? Zo nee, welke stappen worden ondernomen om te komen tot een structureel veiligere situatie?
9. Hoe verklaart het college de stijging van het aantal antisemitische bedreigingen?
10. In hoeverre wordt samengewerkt met de Nationale Coördinator Antisemitismebestrijding en landelijke instanties?
11. Zijn er signalen dat bepaalde groepen of ideologieën bovengemiddeld betrokken zijn bij antisemitische incidenten in Amsterdam? Zo ja, hoe wordt hierop gehandhaafd?
12. Het college en de voorgaande colleges hebben altijd groot ingezet op de samenleving met een zachte hand de gewenste kant op te bewegen. Hoe vindt het college dat dat gaat?
13. In welke mate is het college van mening dat de samenleving op het gebied van Jodenhaat maakbaar is en hoe blijkt dat uit de cijfers?
14. Is het college het met JA21 eens dat de cijfers geen verrassing zijn in een stad waar de politie de deelnemers aan een buitengewoon ingetogen bijeenkomst afraadt om met een Israelische vlag zichtbaar over straat te gaan waar dat voor geen enkele vlag, zelfs vlaggen van terroristische organisaties of regimes, ooit het geval is.